Sneller en beter? Niet zonder de juiste vraag
Op 3 mei 2026 verscheen in NRC een interview met Cees Zweistra en Julie Hoppenbrouwers over hun nieuwe boek Sneller & Beter? Het vraagstuk van technologie en AI in de rechtspraktijk. Een gesprek dat raakt aan de kern van waar wij ons bij The Innovative Lawyer dagelijks mee bezighouden: de juridische sector omarmt AI in hoog tempo, maar doet dat te vaak op basis van een belofte die in de praktijk niet houdt wat ze suggereert. Tijd om die belofte serieus tegen het licht te houden.
Uit nog niet gepubliceerd onderzoek van het Center for Law, AI & Design (2025) blijkt dat meer dan 90 procent van de ondervraagde juristen generatieve AI gebruikt: tools als Harvey, CoCounsel en Microsoft Copilot zijn inmiddels routine voor het structureren van ideeën, samenvatten van dossiers en opstellen van concepten. De aanname onder die snelle adoptie is steeds dezelfde: wie achterblijft, verliest. Een soort business-darwinisme dat innovatie tot overlevingsstrategie verheft. Maar dat frame klopt niet, en het verbergt waar het in de rechtspraktijk werkelijk om zou moeten gaan.
Technologie is geen neutraal instrument
Zweistra en Hoppenbrouwers grijpen in het interview terug op de filosoof Martin Heidegger, die in De vraag naar de techniek (1954) schreef dat een waterkrachtcentrale de Rijn verandert in iets wat in zichzelf geen waarde meer heeft, maar uitsluitend wordt opgevat als grondstof. Datzelfde gebeurt nu in de juridische sector. AI is geen neutraal hulpmiddel dat je inzet voor een vooraf bepaald doel. Het verandert de blik waarmee je naar je werk kijkt. Juristen worden dan langzaam consumenten van systemen in plaats van zelfstandige beroepsbeoefenaars.
Dat is geen academische bijzaak. Het materiaal waarmee juristen werken, het cement en de stenen van het vak, bestaat uit teksten. Door teksten te verzamelen, te lezen in een specifieke context en daar nieuwe betekenis uit te halen, levert de jurist zijn eigenlijke werk. Wie dat werk uitbesteedt aan een taalmodel, levert niet alleen tijd in, maar ook een stuk van de inhoudelijke autoriteit die het vak draagt.
De paradox: efficiëntie die zichzelf opheft
De belofte van AI is dat het werk sneller en beter wordt. In de praktijk werkt technologie vaak paradoxaal. Vergelijk de tekstverwerker met de typemachine. Op een typemachine moet je bij een fout opnieuw beginnen. In Word pas je direct aan. Lijkt efficiënter, maar mensen besteden uiteindelijk meer tijd aan eindeloos herschrijven dan ze ooit aan een schoon getypte versie kwijt waren. Het middel zuigt het werk naar zich toe.
Een treffend voorbeeld uit de master Law & Technology aan de Erasmus Universiteit: studenten ontwikkelden voor de gemeente Rotterdam een AI-tool om WOZ-bezwaren sneller af te handelen. Het effect was niet minder werk, maar meer. Doordat de drempel om bezwaar te maken daalde, kwamen er aanzienlijk meer bezwaren binnen. De achterstand verdween niet, hij verschoof. Dezelfde dynamiek zien we breder: TNO signaleerde recent een sterke toename van AI-gebruik bij de overheid, zonder dat de beloofde werkdrukverlichting zich ook werkelijk laat zien.
Toegang tot het recht: de schaduwzijde van een mooie belofte
AI lijkt het recht toegankelijker te maken. Iedereen kan met een tool sneller een bezwaarschrift of processtuk opstellen. Maar de praktijk laat zien dat die stukken vaak inhoudelijk minder goed zijn dan ze ogen. Bronnen kloppen niet, verwijzingen zijn fictief, redeneringen blijven aan de oppervlakte. Het gevolg: de wederpartij en de rechter krijgen er werk bij, niet minder.
De rechter heeft inmiddels aangegeven dat dit kan neerkomen op misbruik van procesrecht, juist omdat een tool extra werk bij anderen neerlegt. Dat is een ongemakkelijke conclusie voor wie AI ziet als instrument om de toegang tot het recht te verbeteren. De vraag is niet of toegang belangrijk is, dat is ze, maar of AI in deze vorm het juiste middel is om die toegang te verbeteren.
Daar komt iets fundamenteels bij. In Nederland wordt slechts ongeveer 6 procent van de uitspraken gepubliceerd. Veel ander relevant materiaal is auteursrechtelijk beschermd. Juridische techondernemers pleiten regelmatig voor ruimere publicatie, zodat ze meer data hebben om hun modellen op te trainen. Maar het probleem zit niet in de omvang van de jurisprudentie. Het zit in de selectie. Welke uitspraken doen ertoe, in welke context, voor welke vraag? Dat is een inhoudelijke vraag, geen datavraag.
Strategische autonomie: de prijs van afhankelijkheid
Wie zich aan AI bindt, bindt zich aan de leverancier. Het KEI-project, het grote digitaliseringsprogramma van de rechtspraak dat in 2018 strandde, is daar een schoolvoorbeeld van. Een van de oorzaken: leverancier Oracle kon of wilde een cruciaal onderdeel niet meer leveren. Het hele project viel stil. De les: zonder grip op je eigen IT-infrastructuur ben je kwetsbaar.
De rechtspraak heeft die les inmiddels getrokken. Ze werkt aan een eigen taalmodel en heeft in haar AI-strategie vastgelegd dat ze controle wil houden over zowel de technologie als de onderliggende infrastructuur. Voor het juridisch werk in het bedrijfsleven ligt dat anders. Daar worden volop commerciële taalmodellen gebruikt, vaak van grote buitenlandse partijen. De afhankelijkheid is daar misschien nog wel sterker, en de discussie over strategische autonomie is daar nog nauwelijks gevoerd.
Begin niet bij AI, begin bij het probleem
Wat betekent dit alles voor jouw praktijk? Niet dat AI uit den boze is. Wel dat de juridische sector haar reflex moet veranderen. Te vaak begint de inzet van AI vanuit FOMO: anderen doen het, dus wij moeten ook. Dat is geen strategie, dat is een impuls. De volgorde moet andersom. Begin bij een welomschreven probleem in je organisatie. Welk werk loopt vast? Waar gaat tijd verloren aan zaken die er inhoudelijk niet toe doen? Wat is voor jouw cliënten of jouw team werkelijk een knelpunt?
Pas als dat probleem helder is, kun je de vraag stellen of AI onderdeel kan zijn van de oplossing. Soms is het antwoord ja. Vaak is het antwoord nee, of: niet in deze vorm, niet nu, niet voor dit probleem. Dat antwoord is geen falen. Het is precies de vorm van professioneel oordeel die juristen geacht worden te leveren in alle andere onderdelen van hun werk.
De juridische praktijk is er niet om AI te dienen. Ze is er om de zaak van recht en rechtvaardigheid te dienen. Die volgorde verliezen we te vaak uit het oog. Het boek van Zweistra en Hoppenbrouwers is geen pleidooi tegen technologie. Het is een pleidooi voor een andere houding: kritisch, geïnformeerd en gericht op wat het vak werkelijk vraagt. Een houding die wij bij The Innovative Lawyer volledig onderschrijven.
Wil je met je team verkennen welke rol AI in jouw praktijk wel of juist niet zou moeten spelen? Plan een gesprek en we denken mee, vanuit het probleem, niet vanuit de tool.