AI-gebruik in processtukken wordt vermoed zonder dat er één verzonnen uitspraak in staat
De rechtbank Den Haag oordeelde in een asielzaak dat het beroepschrift een reeks documenten noemde zonder vindplaatsen, data of aangehaalde passages, en zonder uitleg in welk verband die stukken werden opgevoerd (ECLI:NL:RBDHA:2026:17992). Uit de gepubliceerde overwegingen blijkt niet dat er een niet-bestaande uitspraak in het stuk stond. Toch schrijft de rechtbank dat dit doet vermoeden dat de gemachtigde bij het opstellen kunstmatige intelligentie heeft gebruikt zonder te controleren of de uitkomsten juist en relevant zijn. De gemachtigde is daar op zitting over bevraagd.
Een rechter kan AI-gebruik dus vermoeden zonder een enkele verzonnen bron aan te wijzen. Een bulk aan verwijzingen zonder vindplaats, paginanummer of uitleg waarom het aangehaalde stuk het betoog draagt, is daarvoor voldoende aanleiding.
Wat de rechtbank aan het beroepschrift verweet
De kritiek in de uitspraak is opvallend gedetailleerd. Bronnen werden genoemd zonder vindplaats, data of passage. De zienswijze werd herhaald zonder dat werd benoemd waar het besluit een motiveringsgebrek vertoont. Bij de opgevoerde documenten ontbrak welk verband ze hadden met de zaak, en vaak ook de vindplaats. Er werd niet gewezen op de passages die ertoe deden en niet verwezen naar paginanummers, terwijl de betekenis van die stukken voor de geloofwaardigheidsbeoordeling niet steeds duidelijk was. Ook de aangehaalde rechtspraak sloot niet altijd aan: de rechtbank noemt als voorbeeld een verwijzing naar een uitspraak over een iMMO-rapport op een plaats waar dat niet paste.
Dat is een ander gebrek dan de zaken die de afgelopen jaren de aandacht trokken. Daar ging het om verwijzingen die feitelijk onjuist waren. De Raad van Discipline 's-Hertogenbosch berispte eind juli 2026 een advocate die door een AI-tool gegenereerde rechtspraak overnam waarvan één ECLI-nummer niet bestond en zeven andere over heel andere onderwerpen gingen (verslag bij Advocatie). Wij schreven eerder over de kantonrechter die een advocaat dwong uitleg te geven over vermeend AI-gebruik. In beide gevallen was er een controleerbaar feit: de bron bestond niet of ging ergens anders over.
In deze Haagse zaak ontbreekt dat harde aanknopingspunt. Het verwijt gaat over de vorm van het betoog.
Het vermoeden is geen vaststelling
Hier zit de duiding die wij eraan geven. De rechtbank kwalificeert een werkwijze, en die kwalificatie kan kloppen zonder dat vaststaat dat er een taalmodel aan te pas kwam. Ongerichte verwijzingen zonder vindplaats bestonden ruim voordat generatieve AI beschikbaar was. Een beroepschrift dat de zienswijze herhaalt en een stapel stukken meestuurt zonder aan te wijzen wat daarin staat, is een oud probleem met een nieuw etiket.
Tegelijk wordt het onderscheidend vermogen van dit soort vermoedens kleiner. Het aantal ronduit verzonnen verwijzingen loopt terug naarmate modellen bronnen aandragen met een vindplaats erbij, en de resterende fouten schuiven op naar verouderde of net niet passende rechtspraak. Dat type fout maakt een gehaaste jurist ook zonder hulpmiddel. Een rechter die AI afleidt uit de vorm van een stuk, beoordeelt in de praktijk de kwaliteit van het processtuk en hangt daar een verklaring aan.
Voor de gemachtigde maakt dat het lastig. Tegen een niet-bestaande ECLI valt weinig in te brengen. Tegen het vermoeden dat je stuk uit een model komt, verdedig je je alleen door te laten zien dat elke verwijzing gecontroleerd is en waarom hij er staat. Dat is precies wat de aanbevelingen van de NOvA vragen: citaten, jurisprudentie en feiten handmatig verifiëren voordat je ze gebruikt, en werken met tools die per verwijzing de vindplaats meeleveren. Het Advocatenblad vatte de lijn van de orde samen als de eigen verantwoordelijkheid van de advocaat blijft leidend.
De zwaarste fout stond los van AI
Van alle punten die de rechtbank opsomt, weegt er één zwaarder dan de rest: de zienswijze werd herhaald zonder te benoemen welk motiveringsgebrek het besluit vertoont. In het bestuursprocesrecht is dat het scharnier van het beroep. Zonder aangewezen gebrek heeft de rechter niets om aan te toetsen. Geen enkel taalmodel is nodig om die fout te maken en geen enkel taalmodel neemt hem weg.
Dat verklaart ook waarom rechters in deze zaken zo snel bij AI uitkomen. Een stuk dat volume heeft en richting mist, ziet eruit zoals ongecontroleerde modeloutput eruitziet. Stibbe wees er in een overzicht van AI in juridische procedures op dat rechters de verificatieplicht bij de partij leggen en de indiener volledig verantwoordelijk houden voor wat er op tafel ligt. Die norm raakt de slordige jurist net zo hard als de onvoorzichtige AI-gebruiker.
Wat een kantoor vastlegt over verwijzingen in processtukken
De praktische vertaling zit in de eindtoets op het stuk, ongeacht hoe het tot stand kwam. Spreek af dat elke verwijzing in een processtuk een vindplaats krijgt: ECLI of publicatiegegevens, plus paginanummer of randnummer bij een rapport. Leg vast dat bij elk aangehaald stuk in één zin staat welke passage wordt bedoeld en welk onderdeel van het betoog die passage draagt. Laat een tweede paar ogen vóór indiening steekproefsgewijs enkele verwijzingen natrekken in de bron zelf, en noteer wie dat deed en wanneer, zodat je bij een vraag ter zitting of een klacht een werkwijze kunt tonen in plaats van een bewering.
Neem in de instructie voor bestuursrechtelijke beroepen op dat het gestelde gebrek expliciet wordt benoemd voordat het stuk de deur uitgaat. En houd de grens van het beroepsgeheim scherp: een algemeen taalmodel is bruikbaar voor openbare rechtspraak, wetgeving en het opstellen van een modeltekst zonder cliëntgegevens. Voor dossierstukken geldt dat alleen in een afgeschermde omgeving met een verwerkersovereenkomst en zonder training op jouw invoer.