Over de roep om een Nederlandse AI-raad
In aanloop naar de kabinetsformatie hebben meer dan vijftig Nederlandse AI-specialisten uit wetenschap, onderwijs en maatschappelijke organisaties een brief gestuurd aan informateur Rianne Letschert. Hun verzoek is helder: neem in het nieuwe regeerakkoord de oprichting op van een onafhankelijke AI-raad met een structureel, wettelijk verankerd mandaat. De brief kreeg publieke aandacht, onder meer via BNR Nieuwsradio, en past in een bredere discussie over de manier waarop Nederland AI-beleid bestuurlijk organiseert.
De oproep is geen pleidooi voor méér technologie, maar voor méér samenhang in advisering. Juist dat maakt de discussie relevant voor juristen.
AI als structureel beleidsvraagstuk
De briefschrijvers beschrijven kunstmatige intelligentie nadrukkelijk niet als een afgebakend technisch onderwerp. AI wordt gepresenteerd als een ontwikkeling met verstrekkende gevolgen voor besluitvorming, toezicht, publieke dienstverlening en fundamentele rechten. Daarbij speelt mee dat de ontwikkeling en inzet van AI sterk wordt beïnvloed door commerciële belangen en internationale machtsverhoudingen.
Die benadering is herkenbaar. Ook binnen Europees recht wordt AI steeds minder gezien als een afzonderlijk innovatiedossier en steeds meer als een technologie die bestaande juridische kaders onder druk zet. Denk aan vragen over transparantie van besluitvorming, rechtsbescherming tegen geautomatiseerde beslissingen en de uitvoerbaarheid van toezicht. Tegelijkertijd roept dat een klassieke bestuursrechtelijke vraag op: waar wordt dit alles institutioneel belegd?
Wat beogen de initiatiefnemers?
Volgens de ondertekenaars ontbreekt in Nederland een centraal, onafhankelijk adviesorgaan dat zich structureel buigt over AI-wetgeving en -beleid. Zij wijzen erop dat verschillende andere landen inmiddels wel beschikken over een dergelijke adviesstructuur, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Canada, Duitsland, Frankrijk en België.
De voorgestelde AI-raad zou volgens hen geen uitvoerings- of toezichtsorgaan moeten zijn, maar een adviescollege. De nadruk ligt op onafhankelijke expertise, met aandacht voor publieke waarden zoals democratische controle, uitvoerbaarheid van regelgeving en digitale soevereiniteit. Ook wordt gewezen op het risico van versnippering: AI-advies vindt nu plaats via uiteenlopende gremia, zonder duidelijk centraal ankerpunt.
Opvallend is dat de brief expliciet afstand houdt tot directe vertegenwoordiging van commerciële AI-aanbieders. Daarmee wordt aangesloten bij het klassieke idee van onafhankelijke beleidsadvisering, zoals we dat kennen uit andere domeinen.
Politieke en juridische context
De oproep komt niet uit de lucht vallen. In de Tweede Kamer zijn eerder moties aangenomen waarin wordt aangedrongen op structurele borging van AI-expertise binnen het overheidsbeleid. Daarnaast speelt op de achtergrond de implementatie van de Europese AI-verordening (AI Act), die lidstaten verplicht om nationale governance- en toezichtstructuren in te richten.
Dat maakt de vraag naar een AI-raad ook juridisch relevant. Een nieuw adviesorgaan roept immers direct vragen op over afbakening: hoe verhoudt zo’n raad zich tot bestaande adviescolleges, tot toezichthouders en tot de ministeriële verantwoordelijkheid? En welke status krijgen adviezen in het wetgevingsproces?
De suggestie om te werken met een wettelijk kader – een kaderwet-achtige constructie – onderstreept dat het hier niet gaat om een tijdelijk expertpanel, maar om een blijvende institutionele voorziening. Dat maakt de discussie principiëler dan de vraag of AI “belangrijk genoeg” is voor extra aandacht. Die vraag lijkt inmiddels wel beantwoord.
Minder technologie, meer staatsrecht
Hoewel de aanleiding technologisch is, draait deze discussie uiteindelijk om staatsrechtelijke en bestuurskundige keuzes. Hoe organiseer je structureel advies over een beleidsdomein dat sectoroverstijgend is, sterk internationaal wordt beïnvloed en tegelijkertijd diep ingrijpt in nationale rechtsstatelijke verhoudingen?
Dat verklaart ook waarom de oproep zich expliciet richt op het regeerakkoord. Daar worden de lijnen uitgezet voor institutionele inrichting, niet in losse beleidsnota’s of incidentele programma’s.