Ook een algoritme zonder invloed op de uitkomst hoort in de motivering van het besluit
De rechtbank Den Haag oordeelde in augustus 2026 dat de minister van Buitenlandse Zaken in strijd met het motiverings- en transparantiebeginsel handelde door in een visumbesluit niet te vermelden dat een algoritme was gebruikt (ECLI:NL:RBDHA:2026:21628). Kort daarna kwam dezelfde rechtbank in een andere zaak, over documentherkenning met de applicatie VisualDoc, tot het omgekeerde: die vermelding was daar niet nodig (ECLI:NL:RBDHA:2026:21749).
Het verschil tussen beide zaken laat zien waar de grens ligt. Een bestuursorgaan moet in zijn besluit vermelden dat het een algoritme heeft ingezet en welke rol dat speelde, ook als dat algoritme de uitkomst van de beslissing niet heeft beïnvloed. De verplichting ontstaat zodra het algoritme meeweegt in de inhoudelijke beoordeling die het besluit draagt. Doet een mens die beoordeling zelfstandig en herkent de tool alleen documenten, dan geldt de plicht voorlopig niet.
De visumzaak dwong de overheid tot uitleg achteraf
De zaak draaide om een visumaanvraag voor kort verblijf. Bij de beoordeling gebruikte de minister het algoritme Informatie Ondersteund Beslissen (IOB), maar noch het primaire besluit noch de beslissing op bezwaar maakte daar melding van. Pas uit het openbare Algoritmeregister bleek dat IOB was ingezet.
De minister voerde aan dat IOB geen invloed had gehad op de inhoud van het besluit en dat vermelding daarom niet nodig was. De rechtbank volgde dat standpunt niet. Ook wanneer het algoritme de uitkomst niet heeft beïnvloed, moet het bestuursorgaan uitleggen dat en hoe het is gebruikt. Zonder die uitleg is het besluit niet controleerbaar, en juist die controleerbaarheid is de kern van het motiveringsbeginsel. Daarnaast verplicht artikel 5, eerste lid, van de AVG tot transparantie over de verwerking van persoonsgegevens, ook wanneer die verwerking in een algoritmische toepassing plaatsvindt. Omdat de minister pas tijdens de beroepsprocedure opheldering gaf, was het besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand: de afwijzing van het visum bleef overeind.
Deze lijn is niet nieuw. In eerdere zaken rekende de rechtbank het bestuursorganen al aan dat zij het gebruik van een algoritme niet kenbaar maakten, tot en met AI die alleen was ingezet om het besluit te redigeren. Rechters raadplegen het Algoritmeregister inmiddels actief, en een tool die daar staat maar niet in het besluit terugkomt, roept vrijwel automatisch een motiveringsvraag op.
Waarom de VisualDoc-zaak anders afliep
In de tweede zaak ging het om VisualDoc, een applicatie die helpt bij de beoordeling van overgelegde documenten. De rechtbank stelde vast dat de huidige werking van VisualDoc beperkt is tot documentherkenning. De echtheidstoets zelf was door twee mensen uitgevoerd en niet door de applicatie. Omdat de tool op dit moment niets toevoegt aan die beoordeling, hoefde de minister het gebruik ervan niet in het besluit te vermelden. Het beroep werd op dit punt ongegrond verklaard.
De rechtbank liet het daar niet bij. Zij merkte op dat de ontwikkeling van VisualDoc doorgaat en dat van de minister wordt verwacht dat hij transparant is over die ontwikkeling. Op enig moment kan een kantelpunt worden bereikt waarop de vermeldingsplicht wel ontstaat, namelijk zodra de applicatie een rol gaat spelen in de echtheidsbeoordeling zelf.
Wanneer algoritmegebruik in een besluit moet worden vermeld
Het onderscheid tussen beide uitspraken zit niet in de vraag of een mens de eindbeslissing nam. In de visumzaak besliste ook een mens; het algoritme leverde alleen een voorbewerking. Toch moest het gebruik worden vermeld. Het verschil zit in de vraag of de tool bijdraagt aan de inhoudelijke beoordeling die het besluit draagt. IOB voedde die beoordeling met risicoprofilering en signalen. VisualDoc deed dat niet, want de beoordelaars deden de echtheidstoets los van de herkenning door de applicatie.
Daarmee is "het model heeft de uitkomst niet beïnvloed" geen bruikbaar verweer. De plicht volgt uit de rol die de tool speelt in het besluitvormingsproces. Of die rol de einduitkomst heeft veranderd, doet er niet toe. Dat sluit aan bij een bredere vraag die wij eerder signaleerden naar aanleiding van de rijksbrede trendverkenning, namelijk of een besluit toetsbaar blijft wanneer een dragende overweging uit een model komt. De Haagse rechtbank beantwoordt daarvan een deel door transparantie tot voorwaarde te maken, ongeacht het gewicht van de tool in de einduitkomst.
Gevolgen voor procesvoering en eigen AI-inzet
Voor wie procedeert of adviseert tegen een bestuursorgaan levert dit een concrete controle op. Raadpleeg bij een besluit het Algoritmeregister en ga na of een vermelde tool het besluit raakt. Ontbreekt de vermelding in het besluit, dan is er een motiveringsgrond. Weeg vervolgens of de tool de inhoudelijke beoordeling voedde of alleen ondersteunde zonder die beoordeling te raken, want dat bepaalt of de grond kans maakt. Houd rekening met de remedie: een motiveringsgebrek leidt vaak tot vernietiging met instandlating van de rechtsgevolgen of tot een herstelmogelijkheid, dus het dwingt uitleg af zonder de uitkomst vanzelf te keren.
Voor de eigen inzet van AI ligt er een norm om naar te handelen. De Awb bindt bestuursorganen, dus juristen binnen de overheid vertalen dit direct naar hun besluitpraktijk: leg per besluit vast of en hoe een tool is ingezet en welke rol die speelde. Voor private juridische organisaties geldt de Awb niet, maar de onderliggende maatstaf is bruikbaar. Kunnen aantonen welke rol een AI-tool in een beoordeling of in een stuk speelde, is wat je nodig hebt om achteraf verantwoording af te leggen. Leg in je AI-beleid vast wanneer AI wordt ingezet en hoe die inzet controleerbaar blijft, zodat de rol van een tool niet pas in een geschil hoeft te worden gereconstrueerd.