Een verzonnen citaat in een processtuk kost extra proceskosten, los van de vraag of AI de oorzaak was
De rechtbank Amsterdam verhoogde op 12 augustus 2026 de proceskostenveroordeling met € 2.315,50 omdat een partij in haar conclusie van antwoord een passage als letterlijk citaat uit het arrest DSM/Fox opvoerde die daar niet in staat (ECLI:NL:RBAMS:2026:8258). De wederpartij vermoedde een AI-hallucinatie. Voor de rechtbank deed de oorzaak niet ter zake. Wie een niet-bestaand citaat in een processtuk zet, draagt daar het financiële gevolg van, ongeacht of AI daaraan te pas kwam.
De zaak zelf ging over de koop van aandelen. De kopers weigerden de tweede tranche af te nemen en beriepen zich op dwaling en bedrog wegens tegenvallende omzetprognoses. De rechtbank wees dat beroep af en veroordeelde hen alsnog tot afname. Bij het vaststellen van de proceskosten kwam een los punt op tafel, en dat punt maakt de uitspraak relevant voor iedereen die met AI werkt.
Het citaat uit DSM/Fox dat nergens te vinden is
In de conclusie van antwoord stond een blok tekst dat werd gepresenteerd als de rechtsoverwegingen 3.5.2 tot en met 3.5.4 uit DSM/Fox (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427). De passage ging over de contractuele uitsluiting van een beroep op dwaling en over de mededelingsplicht. Volgens de rechtbank komen die bewoordingen niet in DSM/Fox voor, en ook niet elders in gepubliceerde rechtspraak. Dat is opvallend, want DSM/Fox is een bekend arrest over de uitleg van overeenkomsten en niet over de uitsluiting van dwaling. Het verzonnen citaat klonk juridisch plausibel, terwijl het thematisch niet eens paste bij het arrest waaraan het werd toegeschreven.
De eiser leidde hieruit af dat de wederpartij AI had gebruikt die was gaan hallucineren. De advocaat van de wederpartij ontkende dat, maar kon niet uitleggen hoe de passage dan wel in het stuk terecht was gekomen.
De rechtbank laat in het midden of AI de oorzaak was
De rechtbank ging niet mee in de vraag of hier een taalmodel aan het werk was geweest. Ze noemde dat punt uitdrukkelijk niet beslissend. Wat telde, was dat niet-bestaande rechtspraak als citaat werd opgevoerd, en dat vond de rechtbank kwalijk omdat het zowel de wederpartij als haarzelf nodeloos extra tijd en aandacht had gekost.
Hier ligt de kern van de uitspraak, en die reikt verder dan AI. De norm waarop de rechtbank de partij afrekent, is de controleerbaarheid van wat je aan de rechter voorlegt. Het gereedschap waarmee de fout ontstond, doet er niet toe. Een verweer in de trant van "wij hebben geen AI gebruikt" helpt dus niet, want de verantwoordelijkheid zit bij de indiener van het stuk en niet bij de tool. Dat sluit aan bij de lijn die rechters de afgelopen jaren neerlegden in zaken waarin AI-gebruik werd vermoed. Wij schreven eerder over een kantonrechter die een advocaat dwong uitleg te geven over vermeend AI-gebruik; ook daar bleef de indiener volledig aanspreekbaar op de juistheid van de aangehaalde bronnen.
Een onjuist citaat kost hier een halve proceskostenpunt
Het mechanisme dat de rechtbank koos, verdient aandacht. De eiser had ook om vergoeding van de werkelijke proceskosten gevraagd, ruim € 11.000, met als grond dat de wederpartij onwaarheden had aangevoerd. Die weg wees de rechtbank af: een veroordeling in de werkelijke kosten kan alleen bij misbruik van procesrecht, en dat is een hoge drempel die hier niet werd gehaald.
In plaats daarvan bleef de rechtbank binnen de gewone systematiek van het liquidatietarief en telde ze een halve punt op bij de proceskostenveroordeling. Bij een punttarief van € 4.631 komt dat neer op € 2.315,50. De totale proceskostenveroordeling kwam daarmee op € 26.100,85, waarvan het salaris van de advocaat werd begroot op 3,5 punten.
Onze lezing is dat dit mechanisme laagdrempeliger is dan de uitzonderlijke route van volledige proceskosten, en juist daarom navolging kan krijgen. Een rechter hoeft geen misbruik van procesrecht vast te stellen om een verzonnen citaat te beprijzen. Een halve punt binnen het bestaande tarief volstaat, en die stap is voor een rechter veel kleiner te zetten. Voor de praktijk betekent dat een concreet prijskaartje aan een fout die tot voor kort hooguit een kritische opmerking in het vonnis opleverde.
Wat een organisatie vastlegt over citaten in processtukken
De praktische les zit in de eindtoets op het stuk, ongeacht hoe het tot stand kwam. Spreek af dat elke verwijzing in een processtuk een vindplaats krijgt en dat iemand die vindplaats vóór indiening in de bron zelf natrekt: staat het citaat er echt, en zegt de uitspraak wat het stuk beweert dat ze zegt. Leg vast wie die controle deed en wanneer, zodat je bij een vraag ter zitting een werkwijze kunt tonen in plaats van een ontkenning. Bij taalmodellen met zoekfunctie verschuift de fout trouwens van vorm: een verzonnen ECLI komt minder vaak voor, terwijl een bestaand arrest dat aan een onjuiste bewering wordt gekoppeld juist vaker opduikt. Wij werkten die controlestap uit in een prompt voor bronvalidatie met search aan.
Die controle raakt het beroepsgeheim niet. Het natrekken van een citaat gaat over openbare rechtspraak en wetgeving, niet over cliëntgegevens. Een algemeen taalmodel is bruikbaar om openbare bronnen op te zoeken en te verifiëren en om een modeltekst zonder cliëntgegevens op te stellen. Voor dossierstukken die onder het beroepsgeheim vallen, geldt dat alleen in een afgeschermde omgeving met een verwerkersovereenkomst en zonder training op jouw invoer.